In een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 13 januari 2026 (ECLI:NL:GHDHA:2026:10) stond de vraag centraal of een tweede arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd was toegestaan op grond van de cao primair onderwijs.
In deze zaak had een werkneemster na een eerste tijdelijk contract van 12 maanden opnieuw een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 12 maanden gekregen. De werkgever heeft vervolgens aangegeven dat deze tweede overeenkomst van rechtswege zou eindigen.
De cao PO bepaalt echter dat een tweede tijdelijk contract alleen mogelijk is in “zeer bijzondere gevallen” (artikel 3.1 lid 2 cao PO). In dit geval voerde de werkgever als reden aan dat er twijfels waren over het functioneren van de werkneemster.
Het Hof oordeelde dat deze reden niet kan worden aangemerkt als een “zeer bijzonder geval”. Dit betekent dat de tweede arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig als tijdelijk contract kon worden aangemerkt, maar van rechtswege is omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Daarnaast oordeelde het Hof dat de mededeling van de werkgever dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege zou eindigen, niet kan worden gezien als een rechtsgeldige opzegging.




